AWG's hypothesen, methodologieën en projectieresultaten over demografie, sociale economie en macro-economie. SCvV- en AWG-projecties: vergelijking resultaten sociale uitgavenprojectie 106.
S YNTHESE
- Inleiding
- De evolutie van de sociale uitgaven tot 2050
- De AWG-projecties en de benadering vergeleken met die van de SCvV
- Armoedebestrijding bij ouderen via pensioen en sociale bijstand: een terugblik
Tweederde van de meerkosten is toe te schrijven aan de maatregelen van het Generatiepact (zie hoofdstuk 4). De daling van de VUT-uitgaven is voornamelijk het gevolg van de nieuwe VUT-regeling van het Generatiepact (zie hoofdstuk 4).
D E BUDGETTAIRE EN SOCIALE GEVOLGEN VAN DE VERGRIJZING
I Evolutie van de uitgaven van de sociale bescherming tot 2050
De basishypothesen van het scenario van de SCvV
Het groeigewicht als gevolg van de evolutie van de kapitaalintensiteit (kapitaalvoorraad per werknemer) zou op termijn 0,6% bedragen. Ten eerste voorziet het Generatiepact welvaartsaanpassingen op middellange termijn (vanaf 2008), wat in het SCvV-scenario niet het geval was.
Nieuwe vooruitzichten volgens het scenario van de SCvV
Tweederde van de meerkosten ten opzichte van vorig jaar zijn de maatregelen van het Generatiepact. In de zorgsector is deze in vergelijking met het vorige jaarverslag sterker gestegen.
II Impact van de maatregelen van het Generatiepact
Beschrijving van de geïntegreerde maatregelen van het Generatiepact en gestelde hypothesen
De impact van de pensioenbonus op de tewerkstelling (ex ante) Om de impact van de pensioenbonus op de tewerkstelling (postplan) te meten, gebruiken we de schattingen1 van Duval van de impact van de impliciete belasting op voortgezette tewerkstelling op het gedrag van wie blijft werken (per leeftijdsgroep van 5 jaar). De impliciete loonbelasting wordt bepaald op basis van het begrip pensioenvermogen.
Impact van het Generatiepact op de resultaten
De toename van de actieve bevolking vertaalt zich ook in een toename van het aantal werklozen in vergelijking met Op middellange termijn ligt de budgettaire kost van de vergrijzing met de maatregelen1 van het Generatiepact 0,2 procentpunt hoger, vooral in de bedrijfstakken. Op middellange termijn ligt de budgettaire kost van de vergrijzing met de maatregelen van het Generatiepact 0,2 procentpunt hoger, vooral in de sector.
Punt 2 toonde aan dat de impact van het Generatiepact op de budgettaire kost van de vergrijzing zich voornamelijk langs drie kanalen voltrekt. Op lange termijn daarentegen zal de groei van het BBP de financiering van de stijging van de pensioenuitgaven voor werknemers tot op zekere hoogte vergemakkelijken. Op de lange termijn domineren de invoering van de bonus en de herziening van de malus.
III De AWG-projecties
Hypothesen, methodologieën en resultaten van de AWG-projectie inzake demografie, sociale economie en macro-economie
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste demografische veronderstellingen van de AWG-baseline voor België. In de hypothese bedraagt de totale factorproductiviteitsgroei 1,1 % in 2030 voor de EU-15-lidstaten, d.w.z. de evolutie over de projectieperiode volgt die van de werkloosheidsgraad volgens het concept van enquêtes.
In de AWG-projectie is de groei van de reële lonen gelijk aan die van de arbeidsproductiviteit. Opgemerkt moet worden dat deze hypothese geen invloed heeft op de projectie van leeftijdsgerelateerde overheidsuitgaven. Merk ook op dat de AWG geen prognoses maakte van overheidsschuld of rentetarieven.
Methodologieën inzake sociale uitgaven
Om de toekomstige evolutie van de uitgaven voor acute zorg te bestuderen, gebruikte de AWG zes benaderingen. In deze twee scenario's volgt de evolutie van de kosten die van het bbp per hoofd van de bevolking met een inkomenselasticiteit van 1. Ook wordt de financiële steun voor personen ten laste (“cash benefits”) voorspeld volgens de evolutie van het aantal personen ten laste.
De evolutie van de eenheidskosten volgt de evolutie van het BBP per werknemer met een elasticiteit van 1. De groei van het BBP stemt overeen met de som van de productiviteitsgroei en de werkgelegenheidsgroei (cf. macro-economische hypothesen). Voor de bepaling van de scholingsuitgaven wordt alleen rekening gehouden met bekostigd onderwijs.
Resultaten van de AWG-basisprojectie
De ontwikkeling van het aandeel van de pensioenuitgaven in het bbp kan worden uitgesplitst naar vier verklarende factoren: de afhankelijkheidsratio, de pensioenratio (ofwel de dekkingsgraad), de werkgelegenheidsratio en de vervangingsratio (ofwel de uitkeringsratio). Gedurende de eerste 10 jaar van de raming stijgen de pensioenuitgaven als percentage van het bbp met 0,69% per jaar. In onderstaande paragrafen wordt de ontwikkeling van het pensioentarief en het compensatiepercentage geanalyseerd.
Dit scenario resulteert in een stijging van de publieke zorguitgaven met 1,4 procentpunt bbp in 2050. Dit geldt met name voor de impact op de toekomstige gezondheidstoestand van ouderen. De ontwikkeling van de eenheidskosten volgt de ontwikkeling van het BBP per gebruikt met een elasticiteit van 1.
Vergelijking met de overige Europese landen
Omgekeerd stijgen in België de uitgaven voor acute zorg, maar die stijging ligt iets lager dan die van het Europa van de 25 lidstaten en de eurozone. Ten opzichte van zijn buurlanden kent België een veel grotere stijging van de pensioen- uitgaven dan Duitsland, Frankrijk en Nederland. Wat gezondheidszorg betreft, ligt de stijging van de acute zorg in België iets hoger dan in Duitsland en Nederland, maar veel lager dan in Frankrijk.
De resultaten voor België contrasteren met de resultaten van de vorige AWG-exercitie in 2001 (die zich beperkte tot de projectie van pensioen- en gezondheidszorguitgaven). Deze aanpassingen worden in de exercitie van 2005 beschouwd als een uitbreiding van de huidige beleidsmaatregelen en worden daarom geïntegreerd in het basisscenario. Het tweede element heeft betrekking op de nieuwe demografische projectie die voor België leidt tot hogere afhankelijkheidscoëfficiënten van ouderen bij het uitoefenen van in vergelijking met het uitoefenen van.
IV Benadering van de AWG vergeleken met de SCvV 1
Hypothesen, methodologieën en resultaten van de AWG- en SCvV- projectie op het vlak van demografie, socio-economie en macro-
De voor de AWG gebruikte demografische projecties zijn uitgevoerd door Eurostat. De vruchtbaarheidshypothese in het AWG-scenario is lager, vooral aan het begin van de periode (in kinderen per vrouw in de AWG-projectie versus 1,66 in de SCvV-projectie). De levensverwachting bij geboorte is aan het begin van de periode lager en stijgt iets minder in het AWG-scenario.
Het niveau en de evolutie van de levensverwachting verminderen de mate van afhankelijkheid in het AWG-scenario. Het AWG-scenario van activiteitsgroei is gunstiger dan het SCvV-scenario (gegevens van Eurostat-enquêtes naar de beroepsbevolking wijzen op een sterkere opwaartse trend dan nationale administratieve gegevens). De stijging van de participatiegraad (som van werkgelegenheid en werkloosheid ten opzichte van de bevolking van 15-64 jaar) volgens het bestuurlijk concept bedraagt tussen 2004 en 2050 2,8 procentpunt in het SCvV-scenario (tabel 41).
Methodologische verschillen inzake de projectie van de sociale uitgaven
Dat verschil heeft tot gevolg dat de resultaten van de AWG-projectie optimistischer zijn dan van de SCvV- projectie. In de praktijk is de inkomenselasticiteit van de SCvV-projectie dus hoger dan die van de AWG en de impact van de niet-demografische factoren is dan ook groter in het SCvV-scenario. Dankzij die benadering kan re- kening worden gehouden met de afbrokkeling van de vervangingsratio op lange termijn.
Dit element draagt ertoe bij om de daling van de WW-uitgaven binnen de AWG-raming te houden ten opzichte van de SCvV-raming. De Commissie heeft een projectie gemaakt van de schoolbevolking voor vier belangrijke onderwijsniveaus, maar niet voor kleuter- en lager onderwijs. Op lange termijn, vanaf 2012, zal het onderwijzend personeel de dalende trend van de schoolbevolking volgen (op middellange termijn tot 2011 zal dit personeel dezelfde evolutie volgen als voorheen).
SCvV- en AWG-projecties: vergelijking van de resultaten van de projectie van de sociale uitgaven
De uitsplitsing van de toename van de pensioenuitgaven in vier verklarende factoren (uitgedrukt in gemiddelde jaarlijkse groeipercentages in % in tabel 47) toont ten eerste dat de afhankelijkheidsratio van ouderen, die het aantal 65-plussers relateert aan de arbeidsleeftijd . bevolking, (leeftijd 15-64), groeit het sterkst in de AWG-projectie. Ten derde blijkt dat de evolutie van de werkzaamheidsgraad vanaf 2010 minder afneemt in de AWG-raming. De overbesteding aan pensioenen in de AWG-raming wordt deels gecompenseerd door de kleinere stijging van de zorguitgaven.
In onderstaande tabel staan de uitkomsten van de AWG- en SCvV-projecties voor de acute en lange termijn. Zoals verwacht zijn de uitkomsten van de SCvV-raming duidelijk hoger dan de AWG-raming. De daling van de werkloosheidskosten is groter in de SCvV-raming dan in de AWG-raming (zie tabel 49).
Besluit
V Armoedebestrijding bij ouderen via pensioen en sociale bijstand: een
Het armoederisico bij ouderen
Ten eerste houdt de inkomensberekening geen rekening met enkele belangrijke elementen die de levensstandaard van ouderen bepalen. Op basis van SILC-gegevens is het mediane equivalente gezinsinkomen € 15.540 per jaar of € 1.295 per maand. In 2003 had ongeveer een op de vijf 65-plussers een inkomen onder de armoedegrens.
Als gepensioneerden geen pensioen zouden ontvangen, zou 92% van de ouderen onder de armoedegrens leven. In theorie laat het wel zien welk percentage van het totale inkomen nodig zou zijn om aan het inkomen te voldoen. Uiteindelijk kan onder PSBH de pensioeninkomensbron niet worden verdeeld volgens pensioenregelingen.
Armoedebestrijding bij ouderen via sociale bijstand en het pensioensysteem
Afhankelijk van de pensioenregeling (werknemer, zelfstandige of een gemengde loopbaan als werknemer en zelfstandige) en. Bij de berekening van de bestaansmiddelen wordt een algemene vrijstelling gegeven op de bestaansmiddelen. Alleenstaande vrouwen vormen de meerderheid van de bijstandsgerechtigden (meer dan 1 op de 2 IGO-ontvangers is een vrouw die alleen woont).
Ongeveer een kwart van de mannelijke gepensioneerde werknemers (kinderbijslag en ongehuwde alleenstaande) heeft een volledige loopbaan als werknemer. Dit heeft een positief effect op de ontwikkeling van het pensioen voor recent gepensioneerden. Merk op dat de toetsing van pensioenen aan de armoedegrens gebaseerd is op gemiddelde pensioenbedragen.
VI BIJLAGEN
Dat kenmerk van het MALTESE-model is belangrijk voor de simulatie van de evolutie van het aantal gepensioneerden. Om de samenhang tussen de be- volkingsprojectie en de sociaal-economische projectie van de AWG te waarborgen, werden sommige overstapmogelijkheden aangepast (zie volgende delen). Wat de werkgelegenheid betreft, is de MALTESE-versie van de projectie geba- seerd op de AWG-projectie per leeftijdsklasse van 5 jaar.
Vanaf 2004 zouden de oorspronkelijke werkzaamheidsgraden (administratief concept) dezelfde groei (verschil in procentpunten tussen twee opeenvolgende jaren) hebben doorgemaakt als de AWG-arbeidsparticipaties op basis van leeftijd en geslacht. Nationale Rekeningen en Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid voor uitsplitsing naar leeftijd en geslacht. Voor de projectie van individuele inkomensontwikkelingen en (eventuele) evaluatie van de impact van sociaal beleid wordt meestal een microsimulatiemodel gebruikt, dat de waargenomen financiële positie van het individu koppelt aan de ontwikkeling van zijn sociaal-economische status (zoals burgerlijke staat en activiteitsstatus).